Nieuws

Mieren zijn nuttig maar kunnen ook zeer lastig zijn

Geschreven door : Guido Sparreboom
Mieren zijn nuttig maar kunnen ook zeer lastig zijn

Hieronder informatie om onze mier beter te leren kennen en ook op een biologische manier te weren.

De mierensoort is één van de meest succesvolle soorten op aarde.
Er zijn op onze aarde ongeveer 12.000 miersoorten bekend en ze leven op ieder continent behalve op Antarctica. De meeste soorten zijn zwart of bruin, maar er bestaan ook gele, rode, groene, zilvergrijze en goudkleurige soorten. Mieren hebben een in drieën verdeeld lichaam, drie paar poten en voelsprieten op hun kop. Deze voelsprieten zijn het voornaamste zintuig waarmee de mier kan ruiken en voelen. Mieren hebben ogen, maar deze zijn onderontwikkeld. Koninginnen en mannetjesmieren hebben vleugels om de zogenoemde ‘bruidsvlucht’ uit te voeren. Op dat moment spreken wij over vliegende mieren. De soms enorme wolken van mieren bestaat dus enkel uit mannetjes en koninginnen. In de lucht paren deze, waarna de mannetjes sterven en de koninginnen nestplaatsen zoeken om een nieuwe kolonie op te richten. Mieren leven in kolonies. Een kolonie bestaat uit één koningin, werksters (de grootste groep) en jonge mannetjes en jonge koninginnen. Werksters hebben de taken verdeeld, ze zijn verkenner, voedselverzamelaar, nest-onderhouder, kinderverzorgster of soldaat en voeren alle voorkomende werkzaamheden uit. Mieren zijn een ijverig volkje. Ze bouwen hun nest in de grond of in holle bomen. Eigenlijk zijn alle zachte ondergronden, kieren of gaten geschikt voor een nest.

 

  • In Nederland leven wel vijftig soorten mieren maar de meeste soorten daarvan leven in tropische gebieden.
  • Meestal zie je de soort bruine wegmieren. Deze zie je in de tuinen en op straat. Ze leven in een nest onder een graspol en onder een steen. In bossen leven de rode bosmieren. Deze mieren maken nesten boven de grond, van dennennaalden. Soms zijn de heuvels wel meer dan één meter hoog.
  • Bosmieren zijn in natuur reservaten beschermt omdat ze deel uit maken van de voedsel kringloop in het bos en ze zijn goede opruimers in de natuur maar helpen ook planten en bomen omdat ze veel schadelijke insecten uit de weg ruimen.
  • Faraomieren zijn de kleinste mieren in Nederland. Deze komen alleen in huizen en flats voor, daar is het namelijk altijd warm. De mieren zijn tropisch, daarom willen ze op warme plekken zijn. Ze zijn ooit per toeval in Nederland gekomen. Omdat faraomieren klein zijn, zijn ze lastig. Ook zijn ze heel licht van kleur. Je kan ze bijna niet zien en ze kruipen door alle kiertjes om voedsel te zoeken. De faraomieren zin in sommige flats een plaag. En niemand vind het natuurlijk prettig om elk hapje te controleren op mieren.
  • In Leeuwarden had men, in een postkantoor, in 1892, heel erg last van faraomieren. Nergens kon je je broodtrommel veilig laten staan. Elke dag vingen ze tienduizend mieren. Zes weken lang. Maar het hielp helemaal niks. Uiteindelijk werd het postkantoor afgebroken, omdat de mensen helemaal gek werden van de faraomieren. Nu kun je hulp inroepen van de ongedierte bestrijding van de gemeente. Die spuiten in het hele huis gif.(niet dat dat goed is.
  • Andere mieren komen niet in flats maar ook in gewone huizen. Dat vinden de meeste mensen natuurlijk erg lastig. De mieren kruipen in kasten met etenswaren en ze zitten in planten. Ook maken ze overal hoopjes zand, in de tuin. Veel mensen vinden het niet netjes staan. En bovendien verzakken de tegels ook nog. Ze kunnen ook een gezellige picknick verpesten, door te steken en prikken. Kortom, mieren zijn niet populair bij mensen. Daarom zetten sommige mensen óf mierlokdoosjes op de vensterbank, óf ze strooien gif in de tuin. Ook zetten sommige mensen, als ze geen gif willen gebruiken, goudsbloemen of afrikaantjes in de tuin. Daar houden mieren niet zo van. Waar ze helemaal niet van houden in olie. Als je buiten wilt eten, kan je een ring van olie trekken om de poten van de tuintafel. Dan klimmen de mieren niet naar al dat eten op tafel, want dat kan niet!
Het uiterlijk van de mier

Een mier is een insect. Insecten herken je aan dat ze zes poten hebben. Het lichaam heeft een kop, een borststuk en een achterlijf. Aan het borststuk zitten de poten vast. De maag zit, net zoals de krop, aan het achterlijf. Een krop is een soort zakje waarin de mieren voedsel voor andere mieren meenemen. Op de kop zitten de ogen. Het zijn er vijf: drie piepkleine ogen en twee wat grotere ogen. Met deze ogen kunnen ze niet zo heel goed zien. Gelukkig kunnen ze wel goed ruiken, dit doen mieren met twee grote voelsprieten. Deze zitten ook op de kop. Dan hebben we nog de twee kleine schepjes met tandjes eraan. Hiermee eten mieren. Met de tandjes kunnen ze dingen vastpakken en verslepen. Tussen de kaken zit nog iets, namelijk een tongetje. Daarmee likken ze nectar uit bloemen. Nectar is een zoete vloeistof. Bijen maken daarvan honing.

Mieren leven altijd in groepen

Een groep heet een volk of kolonie. Een mier kan niet alleen leven, daarom noemen we ze sociale insecten. In een kolonie zijn drie soorten mieren: vrouwtjes, mannetjes en werksters. Een werkster is een vrouwtje dat geen eieren kan leggen. Dat komt omdat ze onvruchtbaar zijn. De mieren die je ziet lopen, zijn bijna altijd werksters. De vrouwtjes zijn meestal groter dan werksters. Die worden koninginnen genoemd. Koninginnen en mannetjes hebben vleugels, werksters niet. Mannetjes hebben hun vleugels altijd, koninginnen gebruiken hun vleugels alleen als ze gaan paren, daarna verliezen ze de vleugels.

Het mierennest

De vliegende koninginnen en mannetjes zie je meestal in de zomer. Aan het einde van een warme dag. Dan kruipen de koninginnen uit de grond. Uit één zo’n nest kunnen er honderden kruipen. Ze worden gevolgd door nog veel meer mannetjes. Ze vliegen heel hoog de lucht in om daar met elkaar te paren. Als ze uitvliegen om te gaan paren, noemen we dat zwermen. De koningin kiest de beste mier uit in de lucht. Degene die het hoogst vliegt, bevrucht de koningin. De insecten etende vogels hebben al snel in de gaten dat er word gepaard en ook de zwaluwen doen zich tegoed aan deze grote hoeveelheid mieren. Toch juist omdat ze allen tegelijk in grote hoeveelheden opvliegen is de overleving kans groter en wordt de kans op het nageslacht verzekerd. Als je op zo’n warme avond een hele hoop zwaluwen ziet cirkelen in de lucht, weet je dat er veel vliegende mieren zijn. Toch komen er veel koninginnen, na de bruidsvlucht, weer veilig terug op de grond. Tijdens deze bruidsvlucht is ze bevrucht door een mannetje. Het eerste wat de koningin doet, als ze op de grond is gekomen, is haar vleugels van haar lijf bijten. Die heeft ze nu niet meer nodig. Daarna gaat ze op zoek naar een holletje. Onder een steen of in de grond. Dan komt ze nooit meer boven de grond. Ze sluit de ingang van het holletje af. Ze zit dus opgesloten. Na een paar dagen legt ze een paar eieren. Uit die eieren komen na een tijdje larven. Dat zijn een soort witte rupsjes zonder poten. De koningin geeft de larven voedsel. Dat komt uit haar eigen maag. De larven groeien snel. Ze verpoppen zich na een paar dagen. Dan maken ze een soort velletje om zich heen. Dat velletje heet een cocon. In de cocon wordt de larve een pop. Na een tijdje kruipt er dan uit de cocon een mier. De cocons worden ook wel miereneieren genoemd. Maar eigenlijk zijn ze dat niet. Want miereneieren kun je haast niet met het blote oog zien. Eitjes, poppen en cocons heten ook wel jongbroed.

De mieren uit de cocons zullen voortaan voor de koningin zorgen

Als het voorjaar is maken deze mieren het holletje open die de koningin dicht heeft gemaakt. Ze gaan naar buiten om naar voedsel te zoeken. Voor de larven, de andere werksters en voor de koningin. Die heeft namelijk al die maanden geen hap gegeten. Als de kolonie begint te groeien, beginnen de werksters met gangen en kamers te graven. Elke zandkorrel word naar buiten gedragen. Andere werksters zorgen voor het jongbroed. De werksters likken ze schoon zodat bacteriën geen kans krijgen om het jongbroed ziek te maken. Dat zijn de drie taken van een werkster: voor de koningin zorgen, voor het jongbroed zorgen en gangen en kamers graven.

Meestal leeft de mierenkolonie onder de grond, daar is het nest. Mieren komen alleen boven de grond om voedsel te zoeken. Sommige soorten komen bijna nooit boven de grond. Een voorbeeld is de gele weidemier. Die zoeken voedsel onder de grond. Andere soorten maken het nest in een vermolmde boomstam of zelfs in een eikel. Mieren graven graag hun nest onder een steen. Overdag wordt de steen door de zon verwarmd. Na zonsondergang is de steen nog lang warm. Ook beschermt de steen tegen de regen. Het nest blijft dus droog. En het is een goede bescherming tegen vijanden.

Warmte en vocht zijn belangrijk voor het jongbroed

Het moet altijd in kamers liggen waar het vochtig en warm is. Daarvoor zorgen de werksters. Ze zijn dag en nacht bezig met het jongbroed te verhuizen. Als het te koud wordt, brengen de werksters het jongbroed naar kamers waar het warmer is. Dat is, overdag tenminste, vlak onder een steen waar de zon op schijnt. En als het daar dan weer te droog wordt, brengen de werksters het jongbroed weer naar vochtigere kamers. Zo past het jongbroed zich aan de temperatuur en vochtigheid van hun omgeving.

Bosmieren

bouwen hun nest precies zo hoog als nodig is. Ze gebruiken geen steen om hun nest warm te houden. Als het nest op een plek ligt waar het warm is, dan bouwen ze hem niet zo hoog. Anders wordt het te warm. Als het nest in de schaduw staat, maken ze hem hoger. Dan kunnen ze toch voldoende zonlicht opvangen. Als je in het bos loopt, moet je er eens op letten.

In het nest zitten dus kamers

in één van de kamers zit de koningin. Daar wordt ze gevoerd door de werksters. Dag in, dag uit legt de koningin eitjes. Tot ze doodgaat. De koninginnen kunnen heel oud worden, soms 20 jaar! Er was eens een onderzoeker die een koningin in een kunstnest had. Die werd wel 29 jaar! Werksters worden maar een paar jaar. Mannetjes sterven na de bruidsvlucht.Na een tijdje, als de koningin is gestorven, sterft de kolonie ook uit. Er komen namelijk geen nieuwe werksters meer. Soms zijn er in één nest meer koninginnen. Bij sommige soorten rode bosmieren, bijvoorbeeld. De kolonie blijft dan bestaan als de koningin doodgaat. In de winter houden de mieren op met hun werk. Dan kruipen ze dieper de grond in. Ze wachten tot het weer warmer wordt. Rode bosmieren komen, in het vroege voorjaar, op zonnige dagen ‘zonnen’. Ook de koninginnen komen dan naar buiten om zich op te warmen.

Buiten het nest

Als je kijkt bij een mierennest, zie je mieren die druk bezig zijn. Sommige mieren slepen met dennennaalden. Andere slepen weer een dode sprinkhaan of een vlieg naar het nest. Weer andere zijn op weg naar een boom. Af en toe zie je een mierenstraat. Dat is een smal pad dat mieren als een soort snelweg gebruiken. Ze rennen over de mierenstraat naar het nest of er juist vandaan. Soms blijven twee mieren onderweg staan. Ze voelen met hun voelsprietjes aan elkaar.

Sommige mierensoorten hebben net als bijen een angel in hun achterlijf

ze kunnen daarmee vergif in een vijand of prooi spuiten. Soms spuiten mieren dat gif in je huid. Bijvoorbeeld als je net lekker in het gras ligt. Dat doet eventjes heel erg zeer, maar je houdt er niks aan over. Knoopmieren heten deze stekende mieren. Dat is zijn naam omdat er tussen zijn achterlijf en zijn borststuk een soort knoop zit. Rode bosmieren hebben geen angel, ze kunnen wel goed spuiten. Ze spuiten mierenzuur. Dit is een scherpe bijtende stof. Je moet de volgende proef eens doen als je in het bos een bosmierennest ziet. Neem een doosje en tik daarmee een paar keer op het nest. Ruik daarna aan de onderkant. Wat je ruikt is een sterke dropgeur. Soms nies je ervan. Toen je op het nest klopte, spoten de mieren mierenzuur op het doosje, ze dachten dat het een vijand was. Er zijn ook mieren die op hun tegenstander een kleverige stof smeren. Ze smeren het op de voelsprieten van de tegenstander. Die ruikt niks meer. Vervolgens krijgen de vijanden geen lucht meer en stikken.

Elke mier heeft een kammetje aan zijn voorpoten

hij gebruikt ze om zijn voelsprieten schoon te houden. Een mier staat vaak stil om zijn voelsprieten met zijn voorpoten schoon te maken. Zijn voelsprieten zijn heel belangrijk voor hem. Een mier heeft wel ogen, maar hij heeft meer aan zijn reuk. Goed ruiken is belangrijk voor hem. Mieren zitten meestal onder de grond. Ze hebben daar niets aan hun ogen. Ook als ze buiten zijn, ruiken ze om de weg niet kwijt te kunnen raken. Als hij loopt raakt hij steeds de grond even aan met zijn achterlijf. De mier laat dan een reukspoor achter. Als hij teruggaat naar het nest, volgt hij zijn eigen reukspoor terug.

Als je naar een zandpad gaat waar een mierenstraat is, moet je eens een laagje zand van de mierenstraat wegvegen. Opeens zijn de mieren letterlijk de weg kwijt. Het lijkt net alsof ze niet verder durven te gaan. Dat klopt, je hebt hun reukspoor weggeveegd. Ze maken na een tijdje weer een nieuw reukspoor. De mieren uit hetzelfde nest hebben dezelfde geur. Ze herkennen elkaar daaraan. Voor een mier geldt: wie anders ruikt dan ik, is mijn vijand. Als twee mieren uit verschillende nesten elkaar ontmoeten, gaan ze elkaar besnuffelen met hun voelsprieten. Als ze dan merken dat ze anders ruiken, beginnen ze vaak meteen te vechten. Ze sperren hun kaken open en pakken een poot van de tegenstander. Ze beginnen met zuur te spuiten of ze proberen hun angels in hun vijand te steken

Kortom mieren kunnen nuttig zijn en lastig

Daar waar je de grond omspit zullen ze snel verdwijnen, maar tegels en boomstammen daarin tegen zorgen ervoor dat de mieren ook zeker daar hun onder komen kunnen vinden.

Houdt mieren uit de buurt

Bij mieren geldt eigenlijk.. voorkomen is beter dan genezen. Door preventief acties te ondernemen kun je voorkomen dat mieren op ongewenste plekken hun kamp opslaan.

Dek etensresten in de keuken altijd goed af en zorg dat het aanrechtblad schoon is. Vooral zoetigheid geldt als een directe uitnodiging voor mieren.
Sop de tuintafel regelmatig en veeg de tegels zodat los zand direct terug in de voegen gaat.

Mieren houden van rottend materiaal in de tuin dus verwijder oud hout en blad. Sluit de vuilcontainers buiten en de afvalbakken in de keuken goed af, hier huist een ware voorraadschuur voor mieren. Maak voor de zomer een rondje met de kitspuit om kieren en spleetjes in het huis goed af te dichten.

Wil je mieren buiten je huis of een bepaald gebied houden, dan zijn er verschillende middelen om een grens te maken waar mieren niet overheen zullen gaan. Mieren lopen bijvoorbeeld nooit over een koperdraad heen, ze hebben nl. een hekel aan koper. Leg een koperdraad langs de drempel en ze zullen een andere route kiezen. Muntjes van vijf cent schijnen hetzelfde effect te hebben. Krijt en babypoeder bevatten talkpoeder. Dit is een natuurlijk bestrijdingsmiddel. Strooi het op de routes van de mieren en ze gaan er niet meer langs. Bij regen het strooien wel herhalen.

Het is goed om te weten dat mieren altijd een vaste route nemen. Verstoor je die route dan raken de dieren gedesoriënteerd.

Gooi koffiedik in je tuin

Vermeng het met een beetje tuinaarde en strooi het op plekken waar je de mieren vandaan wilt houden. Overigens is een beetje koffie goed voor de planten én katten hebben er een hekel aan. Twee vliegen in één klap. Mieren bestrijden met kruiden en planten

Er zijn verschillende kruiden en planten waar mieren een hekel aan hebben

Als we het hebben over kruiden dan houden salie, rozemarijn, bieslook, majoraan, maggikruid en basilicum mieren op afstand. Zowel munt als boerenwormkruid staan bekend om hun mierwerende werking. Daarnaast is het goed om te weten dat mieren een hekel hebben aan bepaalde sterke geuren. De geur van basilicum, oregano, knoflook (net als slakken), salie, rozemarijn, kruidnagel, nootmuskaat of kaneel is te sterk voor de diertjes. Je kunt de kruiden vermengen met water of de route blokkeren met wat strooisel. Mieren gaan ook niet over een laagje peper heen. Strooi wat peper (zwarte, witte, cayenne maakt geen verschil) en ze zullen uit de buurt blijven. Ook hier bij regen het strooien herhalen. Munt in welke vorm dan ook houdt mieren eveneens weg. Je kunt blaadjes munt verkruimelen of een zakje muntthee openknippen en de inhoud over de vaste route van de mieren strooien. Je kunt ook tandpasta of mondspoelmiddel met een sterke pepermuntsmaak en -geur sprenkelen. De planten die mieren weren zijn afrikaantjes (eenjarig) of lavendel. Hier blijk de goudsbloem echter het meest effectief. Plaats de kruiden of planten in enkele strategisch geplaatste potten of op slimme plaatsen in de tuin.

Mieren bestrijden

Word je helemaal onder de voet gelopen door de mieren dan is verdrijven misschien niet meer genoeg en zul je de mier moeten gaan bestrijden. Hierbij hoef je niet meteen naar de chemische middelen te grijpen. Er zijn diverse milieuvriendelijke alternatieven. Een mieren lokdoos klinkt onschadelijk, maar is voor mens en milieu af te raden. Let op; deze tips zijn milieuvriendelijker maar niet altijd diervriendelijk. Heb je een speciale band met mieren dan kun je beter niet verder lezen!

Een goed bestrijdingsmiddel is kokend water, al dan niet met afwasmiddel met citroengeur erin vermengd. Een effectieve manier is om een grote bloempot op de ingang van het nest te zetten. Giet langs de pot kokend water, wacht enkele minuten en keer de pot om. De mieren zullen in de pot zijn gekropen om te ontsnappen aan het water. Giet nu het kokendhete water in de pot. Een andere manier is kokend water in alle uitgangen te gieten en dit enkele dagen te blijven herhalen. Kokend water is ook een goed bestrijdingsmiddel tegen de mieren die de vuilniscontainer belagen. Het effect is dubbel, geen mieren en een schone container. Een ander wondermiddel is wederom azijnwater. Je kunt gewone azijn of schoonmaakazijn verdunnen met water en regelmatig de tuin met een plantenspuit besproeien. De verhouding hierbij is één deel azijn op twee delen water. Een wat dieronvriendelijk middel is een mengsel van gist met iets zoets (stroop of jam) en een beetje water. Mieren zijn gek op zoetigheid en eten de gist in dit mengsel ook op. De gist zet uit, de mierenmaagjes ontploffen en de mier gaat dood. Bakpoeder heeft hetzelfde effect.

Het is misschien wel de simpelste oplossing om het gehele nest te verwijderen. Dit is echter niet altijd mogelijk. De ingang van een mierennest is een klein hoopje fijn zand, maar meestal zijn er meerdere uitgangen en is het moeilijk te vinden. Als je precies weet waar het nest zit, schep je het hele nest uit en deponeer je het geheel ergens anders.

Heel milieuvriendelijk
vul bloempotten met tuinaarde en zet deze omgekeerd bovenop de nesten. Binnen de 14 dagen hebben de mieren hierin hun nest gemaakt en dus ook hun eitjes gelegd. Je kunt nu de gehele pot met het nest verwijderen.
Educatief voor kinderen.

Plaats bijvoorbeeld een glazen bak (een aquarium of doorzichtige bloempot) gevuld met tuinaarde omgekeerd bovenop het mierennest. Binnen 2 weken hebben de mieren schitterende tunnels gebouwd en heb je zicht op de binnenkant van het nest. Hiernaast zie je een voorbeeld van een zelfgemaakt mierennest. Geweldig om aan kinderen te laten zien wat een werk deze kleine diertjes kunnen verzetten.

Laat een reactie achter